Tsjak Tsjak

Als ik te lang binnen zit en bevangen raak door een onrust die zich maar niet bedwingen laat, duikt Bé weleens in mijn gedachten op. In Groningen woonde hij bij mij om de hoek.

Ik kwam eens een ladder bij hem lenen.
Hij zei nooit zoveel, hij vroeg nooit zoveel. Alles was rust bij hem. Ik dacht toen dat hij oud was, want hij had een enorme bos grijs haar en pluizige wenkbrauwen.
“Ik heb mezelf buitengesloten” zei ik. “Ik moest naar de brievenbus en trok zo de deur achter me dicht.”
Ik grabbelde nog een keer in mijn jaszakken, sloeg met vlakke hand op mijn broekzakken, alsof de sleutels ineens weer op zouden kunnen duiken. Ik was de hele dag al gejaagd, zonder precies te weten waarom.
“Kom maar mee jong” zei Bé kalm en hij ging me voor naar zijn schuur.

Die schuur was vol en schemerig. Er viel alleen wat stoffig licht door een raampje. Ik zag de contouren van een oude houtkachel, een werkbank met een bankschroef, planken en buizen. Aan een katrol hing een racefiets zonder banden. Bé gaf een zwengel aan het achterwiel. Het wiel draaide, het licht streek langs de spaken, het freewheel ratelde.
“Hoor je dat”, zei Bé. “Tik tik tik. Laat ons fietsen betekent dat. Denk je ook niet?”
“Ja”, zei ik, maar ik had enkel oog voor de ladder aan de achterwand. Ik vroeg me af of hij lang genoeg zou zijn en of ik er wel op zou durven. Ik was niet zo’n laddermens. Ik geloof dat er vroeger te veel gymleraren onderaan het wandrek hebben staan kijken of ik al naar beneden kwam vallen.
“Doe maar kalm aan”, zei Bé.
Ik dacht aan alles wat ik in huis had achtergelaten. Een interview dat ik aan het schrijven was, al drie uur lang, zonder een steek verder te komen. Een scheve stapel boeken waar ik iets mee moest. Misschien een brandende sigaret, ergens op het randje van een tafel. Ik rookte veel in die tijd.

Bé gaf een klap op de oude kachel. Het gonsde.
“Brandt niet, klinkt wel”, zei hij.
“Ja”, antwoordde ik. Ik dacht aan mijn interview en meende plots dat als ik nu achter mijn tafel zou zitten, alles wat net niet wilde lukken, nu waarschijnlijk helemaal vanzelf zou gaan. Als die sigaret niet op de nylon vloerbedekking was gevallen. Als mijn huis al niet vol rook zou staan.
Dus zei ik tegen Bé:
“Ik heb haast, vreselijke haast.”
Het was als een aansporing bedoeld, maar ik zei het zoals een ander zegt dat hij zo’n afschuwelijke hoofdpijn heeft.
Toen pakte Bé een enorme heggenschaar van een plank.
“Dit is het mooiste”, zei hij.

Hij knipte tweemaal in de lucht.
Tsjak Tsjak.
“Waar denk je aan als je dat hoort?” vroeg hij.
Er viel wat licht op zijn gezicht.
“Aan vallend blad”, zei ik. “Aan de geur van jonge twijgjes. Aan een stille zaterdagmiddag.”
“Heel goed”, zei hij en hij knipte nog eens in de lucht. Tsjak Tsjak.
Hij keek er zo gelukkig bij, dat mijn onrust op slag in het niets verdween.
Tsjak Tsjak. Weg.

Hij had geen haag. Ik heb hem nooit op een racefiets gezien. Voor een houtkachel was in zijn huis geen plek.
“Wat doe je met al die spullen?” vroeg ik.
“Uit een ander leven”, zei hij.
Daarna nam hij de ladder van de haak, manoeuvreerde hem behendig en zonder ergens tegenaan te stoten uit de schuur en ik liep achter hem aan, naar mijn eigen achtertuin. Daar schoof hij de ladder uit en zette hem tegen het balkon.
“Ga jij”, zei hij. Hij gaf een klap op een sport. De ladder rammelde ervan.
Ik aarzelde. Toen klom hij al naar boven, verrassend gemakkelijk. Hij stapte behendig over de rand van het balkon. Een ogenblik later stapte hij mijn voordeur uit.
“Je mag weleens luchten, jong”, zei hij.

Ik vond hem toen oud. Ik denk nu dat het meeviel. Ik rook al vele jaren niet meer. Ik klauter zonder aarzelen tegen de elke ladder op. Een haag komt mijn tuin niet in, maar ik heb wel een heggenschaar. In dit soort weken, waarin alles ineens zoveel kleiner voelt, ik routines zoek die ik maar niet vinden kan en ik er geen trek in heb dat de zaken zijn zoals ze zijn, loop ik af en toe even naar de schuur. Dan denk ik heel diep aan Bé, pak ik de heggenschaar van de plank en knip ik in de lucht.
Tsjak tsjak.
Het werkt nog altijd.

Mijn blog in je mail?
Druk dan op het knopje “Volg” (rechtsonder op je scherm) of stuur een mailtje naar martenheijs@gmail.com. Voortaan ontvang je mijn blogs dan per mail.

 

Het er niet over hebben

Er kwam een curieus appje binnen.
“Even ergens iets drinken? Grtjs, Cees.”
“Waar dat?” antwoordde ik. “De hele wereld zit op slot.”
“Bankje IJssel. Ik wijn. Jij noten.”
“Waar precies?”
“Tegenover waar Charles vroeger woonde.”
“Oké”, appte ik. “Graag.”

Dus troffen we elkaar aan de IJssel, elk op het uiteinde van een bankje. Het was aan het eind van een stralende dag, maar plots nogal koud. Hij schonk wijn in. Ik verdeelde wat noten over twee bakjes en schoof één bakje voorzichtig naar het midden van de bank.
“Geen dag om het over futiliteiten te hebben”, zei ik.
“Nee”, zei hij. “Dit soort dagen vereisen een essentieel gesprek.”

Daarna waren we een hele tijd stil. Wij staarden ernstig naar het water en ik dacht aan de afgelopen dagen. Mijn collega’s die ik alleen nog maar achter het perspex scherm van mijn iMac zie, de blauwe handschoentjes van de pakketdienst, de vrouw die boodschappen bij de overburen op de stoep legde, plechtig alsof het een rouwkrans was en de overbuurvrouw, die op haar beurt naar de doos boodschappen keek alsof het een vondeling was.

“Ik dacht vanmorgen”, zei ik.
“Wacht”, zei hij, “het is toch wel essentieel.”
“Zeker”, zei ik.
“Maar toch niet over…”
Hij hoestte demonstratief in zijn elleboogholte.
“Alsjeblieft niet”, zei ik. “Als één onderwerp mij de neus uitkomt.”
Daarna zwegen we weer lang.

De Lebuïnus sloeg. Er reed een enkele auto over de kade. Ik had het koud en wreef mijn voeten langs elkaar. Hij blies in zijn handen, keek toen geschrokken naar zijn handpalmen en veegde die af aan zijn broek, aan de onderkant van zijn bovenbenen.
“Oeps”, zei hij.
“Wat mij de hele tijd zo opvalt, is dat door die…” zei ik.
“Ho. Wacht. Stop”, antwoordde hij. “Daar ging je bijna man”.
Hij legde zijn beide handen op zijn borst, trok zijn schouders op en ademde piepend in en raspend uit.
“Als ik alleen die verdomde eerste letter al hoor, krijg ik het al benauwd.”
“Dan gebruiken wij die eerste letter niet vandaag”, zei ik. “Die vervangen we dan wel door een H.”
“Horridors en hompromissen”, zei hij. “Bedoel je dat?”
“Niks geen hompromissen”, zei ik.  “Een hordon sanitaire. Schuif me die fles nog eens toe, als je dan toch de essentie zoekt.”
Daarna waren wij opnieuw langdurig stil.

“Had je niet een poosje iets met een Harola?” vroeg hij. “Die met dat gekke haar.”
“Nee”, zei ik. “Dat was Harmen.  Maar dat vriendinnetje van jou uit Den Bosch. Hoe heette zij ook maar weer?”
Hij antwoordde niet direct, maar nam een greep noten uit zijn bakje, stond op, liep naar de rand van de kade en begon zijn nootjes één voor één het water in te gooien.
“Helestine”, zei hij, zonder om te kijken. Helestientje. Echt geen halfje. Was verpleegster. Ze zal nu wel razend…”
Druk zijn, wilde ik zeggen, maar hij keek over zijn schouder en legde een vinger over zijn lippen. Niet over hebben! Daarna gooide hij meer nootjes in het water.
“Onmogelijke relatie”, zei hij even later. “Aan-uit. Uit-aan. De helft van de tijd wisten we niet zeker of we iets hadden of niet.”
“Het lijkt het…”
“Nee”, zei hij, “het leek nergens op, maar het kwam wel binnen.”

Zo zaten we nog een tijd aan de IJssel en staarden naar de overkant. De Lebuïnus sloeg en sloeg nog eens. Toen werd het te koud en stonden we op om naar huis te gaan. Bij de spoorbrug scheidden onze wegen. We omhelzen elkaar altijd ten afscheid. Dat doen we al meer dan vijftien jaar. Nu bleven we aarzelend staan, op twee passen afstand, en staken onze handen naar elkaar op.
“Niets krijgen”, zei ik.  “Niets ergs.”
Het klonk bezorgder dan ik eigenlijk wilde.
“Tuurlijk niet”, zei hij. “Tuurlijk niet.”
Daarna gingen hij naar links en ik naar rechts, maar na een paar passen keek ik over mijn schouder, precies op het moment dat hij dat ook deed.
“Essentieel gesprek hè”, zei hij.
Ik zocht een woord, iets geestig met een H, maar er schoot me niets te binnen.
“Heel essentieel” zei ik dus.
“En we hebben het er niet over gehad.”
“Nee,” zei ik. “Met geen woord. Heerlijk hè.”

Wil je mijn blog in jouw mail? Druk dan op het knopje “Volg” (rechtsonder op je scherm) of stuur een mailtje naar martenheijs@gmail.com. Vroeger of later ontvang je dan mijn volgende stukje.

Mes

Ik dacht dat ik me verbeeldde dat de bel ging. Toen ik voor de zekerheid toch maar opendeed, bleek er een man voor de deur te staan. Hij droeg een hoed met een deuk en uit zijn broekzak stak een portemonnee, die met een ketting aan zijn broeksriem vastzat.
“Ik kom uw messen slijpen”, zei hij.
Hij wees met een duim over zijn schouder naar een bestelwagen.
“Ik slijp alles” stond er in rafelige plakletters op.
“Ik heb niets te slijpen” zei ik.
“Niks?” vroeg de man.

Ik keek langs hem naar het huis van de overburen. Mijn overbuurvrouw stond voor het raam. Ze keek mij indringend aan en schudde van nee. Haar paardenstaart zwiepte heen en weer. “Niet doen. Niet doen. Hij neemt je bij de neus”, zoiets las ik daar in.
“Nee” zei ik dus, “Het spijt me meneer.”
Ik wilde de deur dicht doen, maar de man zette een voet op de drempel.
“Maaiers, messen, beitels”, zei hij. “Wat ik slijp, wordt nooit meer bot.”
“Nee. Helaas” zei ik en ik hield om mijn woorden kracht bij te zetten, mijn beide handen voor mijn borst.
De overbuurvrouw zag dat en stak haar duim op.
Maar toen boog de man zich naar mij toe.
“Echt niet?” zei hij zacht en hij keek mij zo intens droevig aan, dat ik zwichtte.
“Een momentje” zei ik. “Misschien een enkel mes.” Ik liep naar binnen, naar mijn werkkamer, waar ik in een la een oud zakmes heb. Het heeft een houten heft en een verweerd blad en je breekt je nagels als het open moet.

“Slijpt u dit dan maar,” zei ik even later, “dat mag dan wel.”
Mijn blik kruiste de blik van de overbuurvrouw. Ze prevelde iets, dat zag ik aan het bewegen van haar lippen: “stomme goedzak, dat je d’r bent”, zoiets zal het zijn geweest. Daarna maakte ze met haar beide handen een schuddend gebaar: “hij schudt je uit, tot er geen cent meer uit je zakken rolt. Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb.” Zo duidde ik dat.

De man was in een paar passen met mijn mes bij zijn wagen. De ketting van zijn portemonnee slingerde bij iedere stap. Ik liep timide achter hem aan. Hij opende de laadruimte van zijn auto, waarin een grote zwarte slijpsteen stond. Hij vouwde mijn mes open, zette de slijpsteen aan en legde het lemmet langs de ronddraaiende steen. Gele en blauwe vonken spatte van het staal.
Ik lachte naar mijn overbuurvrouw en stak mijn hand naar haar op. Zij kneep haar ogen dicht.
“Zit wel goed” zei ik bij mezelf. “Gewoon een ouderwetse scharensliep. Interessant.”
Maar ik had een hol gevoel in mijn buik en ik dacht aan een benauwde taxirit, lang geleden, die kort had moeten zijn, maar eindeloos leek, door alle uithoeken van een donkere Slowaakse stad.

Toen mijn mes geslepen was, poetste de man het lemmet op. Hij zette het houten heft uitgebreid in de was, wreef het op en hij liet ook een drup olie vallen in het scharnier. Het heft blonk, het lemmet glansde, de was rook zoet. Ik telde de handelingen die hij had verricht, slijpen, poetsen, oliën en in de was zetten, keek naar mijn overbuurvrouw en begreep dat elke handeling in rekening zou worden gebracht.

“Klaar?” vroeg ik.
De man stroopte een van zijn mouwen op, legde het lemmet plat op zijn behaarde onderarm en schoof het mes langzaam over zijn huid naar boven. Haartjes vielen in het zonlicht naar beneden. Een baan van spierwit vel bleef achter.
“Nu u” zei hij.
Nu haalde ik het mes over mijn onderarm, aarzelend en schraperig en het voelde ook onzinnig omdat ik bijna geen haren op mijn armen heb. De man keek mij spottend aan.
“Kost het?” vroeg ik, toen ik het mes had dichtgeklapt. Hij noemde zijn prijs, het was aan de hoge kant maar ook weer niet zo hoog dat ik er heel naar van werd. Ik lachte naar mijn overbuurvrouw. “Zie je wel, niks aan de hand” fluisterde ik haar toe en ik keek hoe mijn geld in de mans portemonnee verdween en voelde dat er langs mijn arm heel traag een dun straaltje bloed naar beneden liep.

Wil je mijn blog in jouw mail? Druk dan op “Volg” of stuur een mailtje naar martenheijs@gmail.com. Vroeger of later ontvang je dan mijn volgende stukje.

 

Stem

Ik zat aan de grote tafel in het bibliotheekcafé een brief te schrijven en snoof even aan mijn notitieblok, want ik meende dat het vreemd rook.
Toen sprak een oude man mij aan.
“Vond u het stinken?” vroeg hij. Zijn haar geelde en zijn stem klonk scherp.
“Een beetje”, zei ik, “er zit vast iets onderin mijn tas. Daar heeft het denk ik tegenaan gelegen.”
Hij boog zich naar mij toe.
“Ik zag u sidderen”, zei hij. “Mag u graag huiveren? Dwingt u zichzelf daartoe? Moet u van uzelf aan vieze dingen ruiken? Of u nu wil of niet.”
“Ik geloof het niet”, antwoordde ik.
“Ik geloof het wel”, zei hij en hij legde een bleke hand op mijn onderarm.
“Als u weet dat de melk zuur is, steekt u dan toch niet even uw neus in het tuitje van het pak? Gewoon om wat te gruwen. Zo’n rilling langs de rug. Als u een halve kroket ziet liggen in de goot, neemt u er dan niet in gedachten een hapje van? Om te voelen hoe smerig het is.” Hij hapte tweemaal in de lucht.
“Zoekt u geen weerzin? De smaak van smerig bloemenwater. Met uw tong steeds weer naar die zere kies en als u een mes in handen heeft, denkt u dan niet…”
“Nee”, zei ik. “Niet in het minst. Ik ben trouwens aan het werk.”

Ik keek naar mijn notitieblok en schreef, al voelde ik zijn ogen branden. Ik wilde niet naar hem opkijken, maar het was alsof er aan mijn hoofd getrokken werd en voordat ik het wist kruiste mijn blik de zijne.
“Wat schrijft u daar eigenlijk?” vroeg hij.
“Een brief”, zei ik afgemeten.
“Ouderwets”, zei hij, “zo met de vulpen ook. Wel fijn voor degene die hem krijgt, is het niet? Een plofje op de mat. Een hart springt op. Romantisch zeg.”
“Hm, hm” zei ik en ik boog mij weer over mijn werk. Maar hij stootte mij aan.
“Luister”, zei hij. “U kiest uw woorden vast zorgvuldig. U formuleert heel precies. Zo ééntje bent u me er denk ik wel. En toch, kan het dat alles waarvan u nu denkt, dat het aardig klinkt, straks helemaal verkeerd vallen zal. Denkt u daar niet dat de vinger….” en hij maakte met uitgestoken wijsvinger, de zaagbeweging van een hand die voorzichtig een enveloppe openwerkt.
“…dat die vinger zich snijdt aan het papier, nog voordat de geadresseerde ook maar iets gelezen heeft. Dat als die vinger aandachtig langs de regels strijkt, uw zinnen rood worden onderstreept. Dat er dadelijk bloed op uw woorden zit?”
“Nee”, zei ik. “Dat komt niet in mij op. Het lijkt mij uitgesloten.”
“Uitgesloten, quatsch. Niets is uitgesloten.”
Ik zette mijn ellebogen op tafel. Ik sloeg mijn handen voor mijn oren en herlas de regels die ik geschreven had en die subtiel en vriendschappelijk klonken. Hier kan niets mis mee zijn, dacht ik. Dit is precies wat ik bedoel.
Toen legde de man zijn hand op mijn schouder.
“Ik ga”, zei hij. “U denkt vast nog wel eens aan mij.”
Ik knikte kort naar hem.
“Tot ziens”, zei de man.
Tot nooit, dacht ik. Ik ben jou vergeten voordat jij door de draaideur bent en daarna zette ik mij weer aan mijn brief.

Maar ik vergat hem niet.  Ik bleef zijn fluisteringen horen, of ik nou wilde of niet.
“Voel eens goed aan die kauwgom onder het tafelblad. Trek er eens een paar lekkere draden van.”
“Wat lekt daar uit die vuilnisbak. Ruik dan. Haal je vinger er eens langs? Wat denk je? Waar smaakt het naar?”
“Smeer hem”, siste ik tegen de stem. “Zwijg. Ga weg. Ik moet je niet.”
Het hielp mij niet.

Maar op een dag was de stem toch verdwenen. Wat mij hielp? Ik weet het niet. Misschien was het die middag aan de IJssel, waar ik naar het hoogwater keek en zag hoe planken en plastic flessen door de stroom werden meegevoerd? Misschien is ook die stem weggedreven. Misschien was het de boswandeling in de zware storm. Vlak voor me zag ik een enorme eik omgaan. De grond dreunde onder mijn voeten en even later viel een zware tak over het pad, een paar meter van mij af. Wie weet is zijn stem opgegaan in het gekraak. Of zat het uiteindelijk gewoon in het antwoord op mijn brief. Een antwoord dat precies zo luidde als ik had gehoopt. Legde dat de fluisteringen het zwijgen op?

Deel mijn blog gerust via Facebook, mail, Instagram etc. Wil je mijn blog in jouw mail? Druk dan op “Volg” of stuur een mailtje naar martenheijs@gmail.com. Vroeger of later ontvang je dan mijn volgende stukje.

Kermis

Ik denk nog graag aan meneer De Greve. Ik zie hem op een stille zondagmiddag liggen op zijn leren bank, zonlicht en lichte schaduwen spelen over zijn gezicht, zijn kousenvoeten liggen op een leuning, één broekspijp is een stukje opgekropen.  Een sok heeft zicht opgewerkt en steekt als een puntmuts met een knikje boven zijn tenen uit.
Hij slaapt zoals nog nooit een mens geslapen heeft. In zijn buik een stevig middagmaal. De geuren daarvan hangen nu nog in de kamer: draadjesvlees, bonen, stoofperen en warme custard.  Hij snuift en snurk, lucht fluit door zijn neus. Er borrelt en pruttelt van alles in zijn maag. Op zijn buik, bij elke inademing langzaam zwellend tot een wereldbol, is, onzichtbaar voor andere dan kinderogen, een miniatuurkermis verrezen: een zweefmolen in bonte kleuren, een ouderwetse ballentent, een reuzenrad met iele sloepjes. Ademt De Greve in, dan hellen de attracties met het zwellen van zijn buik steeds verder achterover, ze schuiven naar de randen van de aarde, vallen bijna voorgoed de wereld af. Ademt hij uit, dan kruipen ze weer langzaam naar elkaar toe.

Op hem zijn tien, twaalf priemende kinderogen gericht. Die van Sjoerd, zijn zoon, en een hele horde vriendjes uit de buurt. Blozende koppen, springerige haren, van verlangen brandende ogen, open gezakte monden. Het is een wonder dat een mens in zo’n van verwachting zinderende kamer zomaar slapen kan. Ieder ander zou wakker schrikken, wild opspringen van zoveel ongeduld. Het ene moment nog een hevig snurkend wezen, het volgende, bezield door al die blikken, op slag weer de held van alle kinderen. De sleutelring van zijn stationwagen bungelt aan zijn kromme pink. En dan zelf van enthousiasme met beide voeten zo hard stampen op de vloer, dat het hele huis ervan schudt. Pannen rammelen in de kasten, kristal rinkelt in de buffetkast, de lamellen zwiepen heen en weer voor het raam. De vloerbalken kraken onder zijn voeten. Op zolder kreunen de hanenbalken.

In al dat gerammel en gerinkel weerklinkt De Greves belofte van vlak voordat de slaap hem zomaar overviel: “Kom op jongens, jassen halen. We gaan naar de kermis in Wilp-Achterhoek. Ik heb het vanaf mijn vrachtwagen gezien.” Kindervoeten roffelen de kamer uit, de keuken door, de achtertuin, de brandgangen in. Schuttingdeuren klepperen, schrille stemmen vragen: “mag ik mee?” Moeders zuchten, kinderen bedelen.
Nog geen vijf minuten later zijn al die kinderen terug in die kamer. Maar daar is de ramp gebeurd.  Het gerinkel en gerammel is weggestorven. Het kraken van de vloer en het kreunen van de hanenbalken is in een hevig snurken overgegaan. Meneer De Greve slaapt, zoals nog nooit een mens geslapen heeft. En naast hem staat mevrouw De Greve. Ze zegt geen woord. Ze kijkt alleen maar. “Wee degene die mijn man wakker maakt”, zegt haar blik.

Dus blijven al die kinderen doodstil staan. Ze staren naar meneer De Greve, biddend om een spontaan ontwaken. Ze letten op elke trilling in zijn lijf. Ze staren naar die buik, die rijst en daalt en langzaam groeit, uit de plooien van zijn overhemd, die minikermis, steeds echter, steeds mooier, zo veel belovend. Om dadelijk naar toe te gaan.

Schreef ik net dat ik soms nog aan hem denk? Denken is het woord niet. Ik zit daar nog altijd.

Ik blog onregelmatig. Wil je me volgen? Druk dan op ‘volg’ of stuur een mail naar martenheijs@gmail.com. Dan krijg je vroeger of later het volgende stukje gewoon in je mail. 

 

Juf

“Waarom om half twee toch nog wakker?” Dat vraagt mijn dochter.
Haar haar is vochtig en haar ogen staan klein. Ze heeft haar jas nog aan.
Ik haal mijn schouders op.
“Gewoon, ik zat nog wat te lezen”, zeg ik.
“Ja ja”, zegt zij en ze kijkt naar mijn boek. Het ligt naast de bank op de vloer, de kaft naar boven, de rug geknakt. Vanaf de achterkant blikt de schrijfster zorgeloos de wereld in.

Brandlucht stijgt op uit mijn dochters jas en vult de kamer. Ze komt van een feest ver buiten de stad. Blijkbaar is er een groot vuur gestookt. Ik snuif en zie de vlammen wakkeren en hoor geschater. Het is vast een goed feest geweest. Zij heeft veel en leuke vrienden.

“Je zat gewoon op mij te wachten”, zegt ze.
“Welnee”, zeg ik, al is het antwoord natuurlijk “ja”.
Ik heb gewacht, gespitst op het geluid van haar fietswielen in het gangetje naast het huis. Als het licht is, hoor ik ze niet eens. In het donker donderen ze als molenstenen. Het beste geluid op een zaterdagnacht.
“Jawel”, zegt ze, “je zat te wachten.”
Ze strijkt naast me neer op de bank en slaat haar ene been over het andere. De rubberzool van haar schoen is bij de neus gesmolten, zie ik nu en er kleven bladeren aan. Ik leg met een klap een hand op haar knie. Bladresten en kruimels aarde dwarrelen op de vloer.

“Herinner je juf Barkhof nog”, vraagt ze.
“Tuurlijk”, zeg ik, want juf Barkhof is wel blijven hangen. Moord, mummies, amputaties, daar kon een kind van tien volgens juf wel aan wennen. Haar details, die werkten wel. Het gat in de blouse van de weduwe Wittenberg, het vlees, het bot en de tanden van de zaag. En wij mochten niet met de juf gaan praten. Hoe kwam het in je op?

“Luister je wel” vraagt ze. “Of ben je weer eens in gedachten?”
“Nee, ik luister”, zeg ik. “Tuurlijk luister ik.”
“We fietsten door het bos, vlakbij de waterzuivering.”
Dat bos heb ik voor me gezien, want ik zie altijd bossen voor me als ik op haar wacht. Bossen, industrieterreinen en donkere vennen. Het houdt me wakker, hoe hard ik ook tegen mezelf roep, dat het niet nodig is, niet helpt, niet hoeft, dat ze slim en verstandig is. Dat ze met anderen is. Maar die anderen zijn dan altijd verdwenen en slim en verstandig is niet altijd genoeg.

“Toen stond Barkhof daar ineens”, gaat ze verder. “Ik dacht eerst dat ik me vergiste, maar blijkbaar woont ze daar. Ze liet een klein wit hondje uit.”
Ik zet grote ogen op, graai even met mijn handen in de lucht en maak een geluid alsof ik stik en leg dan mijn hand weer op haar knie.
“Ja precies” zegt ze en ik weet dat we beiden aan hetzelfde denken: een veenlijkje waarover die juf vertelde. Heel langzaam door het veen naar de diepte gezogen, tot het 2000 jaar later weer opgedolven werd. Zwart als leer, maar met plukken oranje haar nog op d’r kop en een touw in drie slagen om de hals. Nachtenlang heeft dat lijk door ons huis gedoold. Het zat overal, in de klerenkast, tussen de vloeren en achter de plinten. Er viel niet tegenop te troosten, tot het in het niets verdween.

“En groette ze?” vraag ik.
“Nee” zegt mijn dochter. “Ze had ons niet aan horen komen en liet van schrik de hondenriem glippen. Dat beest schoot achter ons aan, en zij maar roepen. Weet je hoe het heette?”
“Het zal wel Zombie zijn.” zeg ik.
“Nee. Knuffie. Dat riep ze. Knuffie, Knuffie, kom terug”
“Wraak” zeg ik en we lachen allebei om juf Barkhof die in het donker om haar knuffel roept.

Ze neemt mijn hand van haar knie en legt hem op mijn eigen knie.
“Welterusten oude man” zegt ze.  “Ik ga eens even lekker slapen. Lees jij je boek maar lekker uit.”
Ze staat op en loopt naar de deur. Haar schoenzool maakt een plakkerig geluid op de houten vloer en er dwarrelt een bladnerf uit haar haar. Ik snuif een laatste vleugje brandlucht op.

Ik blog onregelmatig. Wil je me volgen? Druk dan op ‘volg’ of stuur een mail naar martenheijs@gmail.com. Dan krijg je vroeger of later het volgende stukje gewoon in je mail.

 

Schilletje

Er kwam een appje van een buurvrouw van vroeger binnen.
“Begreep ik laatst nou dat je iets met ladekasten hebt?” schreef zij.
“Kan heel goed”, antwoordde ik onmiddellijk, want ik heb altijd iets met ladekasten gehad. Van die stokoude kasten die naar boenwas ruiken en waarvan iedere lade anders voelt wanneer je hem openschuift.  Een kast met een verborgen laatje, waar in het donker een al lang vergeten melktand ligt. Of een glimmende metalen kast, met lades berstensvol papier, waar je je vingers zo graag door heen zou laten ruisen. Maar het enige wat je ziet, als je stiekem een lade openschuift, zijn de contouren van een gezicht in houtkool, afgedekt met doorzichtig vloeipapier.

“Dan heb ik jou nodig” luidde de volgende app.
“Kast demonteren en versjouwen?” appte ik terug.
“Kom maar langs” schreef zij. “Dan vertel ik het wel.”

Maar de gedachte aan “sjouwen” had zijn werk gedaan. Mijn kracht en ijver stonden me onmiddellijk helder voor geest. Ik zag mezelf soepel een flinke kast demonteren. Mijn duimen en wijsvingers maakten schroefbewegingen, om mij heen stapelden lades, latjes en kastpanelen zich op. Ik kneep eens in mijn armspieren en voelde dat ik moeiteloos de zwaarste lades dragen kon. Eén op mijn linkerhand, één op mijn rechter, zoals een kelner een vol dienblad op de toppen van zijn vingers draagt. In gedachten stapte ik met die lades over lange galerijen en door gangen, daalde ik trappen af, wandelde ik met die lades door de stad, briesje om mijn oren, glimlach op mijn gezicht.

Zo zat ik een tijd te denken aan mijn slimheid en mijn kracht. Toen lichtte mijn telefoon weer op. Een nieuw berichtje.
“Zaterdag dan maar? Uur of drie?”
“Afgesproken” antwoordde ik.
Een ogenblik later sloot de app, maar ik bleef dromen over het slepen met kasten. Daar lag er één, groter dan ikzelf, als een veertje in mijn armen. Daar droeg ik in mijn eentje een loodzware kast een smal trapgat door. Buik in, pink omhoog, van boven recht, van onder scheef die kast, treetje voor treetje, geen plint geschampt, in een keer goed. Gewoon op zicht. Zo doe je dat.

Die zaterdag stond ik aan haar deur; schoenen met stalen neuzen, een spijkerbroek met een winkelhaak, werkhandschoenen onder mijn arm, klaar om alles te verzeulen wat niet aan de wereld vastgenageld is.
“Zo”, zei ik opgetogen toen zij opendeed. “Daar was ik dan, helemaal klaar. Van waar naar waar, op het dak of naar de kelder, je zegt het maar.”
Ik wierp mijn werkhandschoenen uitgelaten in de lucht. Hoog boven mijn hoofd vingen ze een straaltje zon, toen vielen ze met een plof weer in mijn hand.

Zij bekeek mij van top tot teen, onderzoekend, vriendelijk maar vooral met spot.
“Mooie handschoenen hoor” zei ze.
Daar groeide ik van, maar op de verkeerde manier. Ik voelde me te groot, te onbenullig, te zwaar. Onhandig kloste ik achter haar aan, op mijn plompe schoenen door een smalle gang een treetje op, de keuken door, de kamer in. Daar bleef zij staan.
“Kijk kastenman”, zei ze, “daar staat hij dan”.
Mijn blik gleed door de kamer, langs schilderijen, een bank, een tafel met een vaas met bloemen, maar nergens een grote kast. Een warme kamer, in wijkend winterlicht. Maar niets te tillen, niets te dragen.
“Kijk waar” zei ik zacht.
“Kijk daar” zei ze en ze wees en toen zag ik het pas, want op de tafel, naast de bloemen,stond een heel klein ladekastje, van diepzwart hout, maar met een betoverende warme glans.  Het was niet groter dan een flinke kinderhand. In de pootjes was een motiefje uitgesneden, het bovenblad was ingelegd met een heel fijn mozaïek en aan de beide lades bungelden twee ringen, waaraan je de lades opentrekken kon. Hoe langer ik naar het kastje keek, hoe meer die ringen op ogen gingen lijken. Ogen die me uitlachten om mijn verbeelding, mijn handigheid en mijn kracht.

Zo stonden we daar een poosje.
“Mooi” zei ik. “Maar…” Ik stamelde nog wat.
“Ben ik laatst tegenaan gelopen, maar het zit op slot of zo” zei ze. “Ik heb er al uren aan geprutst, maar open krijg ik die laatjes niet. Jij weet natuurlijk hoe het moet.”
Ze zette het kastje op mijn hand. De pootjes drukten zacht in mijn vel.
“Maar, wel voorzichtig” zei ze.
Ik trok behoedzaam aan de ringetjes om de laatjes te openen. Ze zaten vast. Ik draaide aan de ringetjes. Ik schudde er voorzichtig aan. Niets. Ik duwde de laatjes terug, peuterde er met een nagel aan. Ze bleven dicht. Ik bestudeerde het kastje. Nergens een schuifje, geen grendel, geen slot. Ik bleef een hele poos zoeken, tegen beter weten in en met diepe rimpels in mijn gezicht. Toen zette ik het weer op tafel.
“Eigenaardig” zei ik en ik tikte met mijn wijsvinger tweemaal op het kastje en op dat moment sprongen de beide laatjes zomaar open.  Van binnen waren ze glanzend geel. Het straalde ons tegemoet alsof er licht in dat kastje scheen.

In het kastje zaten alleen wat frutsels: drie droge uienschilletjes, strengels witte wol, een slakkenhuis. Een soort staalborsteltje met verroeste tanden.
We staarden er een poosje naar.
“Tja” zei ik.
Zij viste met duim en wijsvinger heel voorzichtig een schilletje uit de la en hield het tegen het licht.
“Wie iets bewaart, die heeft wat” wilde ik schimpend zeggen.
Maar toen zag ik hoe aandachtig zij naar dat kleine bruine schilletje keek, begreep ik dat ik iets heel goeds had gedaan en net op tijd slikte ik mijn woorden in.

 

Dit stukje schreef ik voor mijn atelierbuurvrouw, beeldend kunstenaar Daniëlle van Strien, toen ze zei dat ze uit het gebouw waar wij beiden werken zou vertrekken. Ik dacht dat ze dan misschien zou blijven maar het heeft helaas niet geholpen. 

Ik blog onregelmatig. Wil je me volgen? Druk dan op ‘volg’ of stuur een mail naar martenheijs@gmail.com. Dan krijg je vroeger of later het volgende stukje gewoon in je mail.