Waarnemingen

Een vriend vertelde over zeearenden.
“Wil je er een zien?” vroeg hij.
Hij spreidde zijn armen en maakte een trage vleugelbeweging.
“Elke avond bij Keizersrande, tussen acht en half negen precies.”

Dus fietsten we samen naar Keizersrande. Eerst zaten we bij het observatorium in de uiterwaarden en tuurden naar de strakblauwe lucht. Ik speelde wat met het gras, plukte zaden van een halm en wierp ze in de lucht.
“Hoe weet je dat die vogel hier komt?” vroeg ik.
“Gehoord,” zei hij.
“Al gezien?” vroeg ik.
“Ik heb,” zei hij enthousiast, en hij noemde een lange rij vogels op. “Steenarenden, wespendieven, nachtzwaluwen, allemaal gezien.”

Later wandelden we over het betonpad naar de boerderij. Ik hoorde honderden vogels kwetteren in de meidoornhaag. Ik voelde een groot verlangen ze allemaal te herkennen en voordat ik er erg in had begon ik opgewonden aan een zin.
“Hoor je die…,” riep ik, maar toen ik een vogel wilde noemen, wist ik het ineens niet meer.
“Wat?” vroeg mijn vriend op dat moment. “die notenkraker?”
“Ja die,” zei ik.
Mijn vriend gaf mij een schouderklopje.
“Goed gespot,” zei hij. “We mazzelen.”

Even later zei hij: “Stop, luister.”
Ik stopte. Ik hield mijn kop een beetje scheef, als een merel, en ik deed mijn ogen dicht. Ik hoorde motoren op de dijk, het piepen van een hek in de verte, het getik van schrikdraad, een vliegtuig hoog in de lucht, hazenpoten roffelend in de wei.
Ik deed mijn ogen open.
“Misschien een…,” begon ik.
“Ja, precies draaihals,” zei hij. “Ik dacht dat ik me vergiste, maar nu jij het ook hoort moet het wel kloppen. Het zal haast wel een van de allerlaatsten zijn, de arme ziel.”

De boerderij ligt op een verhoging bij een kolk in de uiterwaarden. Er loopt een brede houten trap naar een soort bordes. Op die trap gingen we zitten. Ik streek met mijn vingers over ribbels in de houten traptreden, keek over de kolk en de uiterwaarden, waarin enorme plukken ganzen zaten en mijn vriend speurde de hemel af.
“Nu moet hij dadelijk komen,” zei hij. “Dat maakt de avond af.”
Maar de enige die er kwam, was de boerin. Ze droeg een zinken emmer in haar hand en ze hoorde ons een beetje spottend aan.
“Een draaihals en een notenkraker gezien. Zo zo. En nu nog de zeearend,” zei ze.
Zij kauwde op de lucht.
“Zoveel geluk op één avond,” zei ze. “Dat heb ik nog niet in een jaar.”

Daarna liep ze het trapje op. Ik hoorde haar nog een poosje scharrelen. Ze floot, ze nieste en ze liet haar emmer vallen. Hij rolde luid rammelend over de stenen en op hetzelfde moment vlogen de ganzen snaterend op. Met zijn allen vulden ze de lucht. Even later streken ze weer neer.

Wij staarden naar de hemel tot de zon onderging. In de schemering liepen we terug naar onze fietsen. Ik dacht nog even aan de boerin en haar emmer.
“Die ganzen” zei ik.
“Precies,” zei mijn vriend. “ Dat vroeg ik me ook al af. Waarom vlogen ze op? Wat heeft hen zo aan het schrikken gemaakt?
Die vallende emmer zijn, wilde ik zeggen, maar in het laatste licht zag ik de mijn vriends ogen schitteren.
“Dat moet haast wel…,”zei hij opgetogen.
En ik antwoordde: “De zeearend zijn geweest”.
We haalden onze fietsen van het slot en reden langzaam slingerend terug naar de stad. Tevreden vogelaars. Kenners onder elkaar.

Mijn blogs verschijnen onregelmatig, maar als je (rechtsonder in beeld) op het knopje ‘volg’ drukt of een mailtje stuurt naar martenheijs@gmail.com krijg je elk volgend stukje gewoon in je mail.
Het blog ‘Waarnemingen’  komt uit het boekje ‘IJsselblogs’ dat ik samen met beeldend kunstenaar Lies Kortenhorst op 16 juni presenteerde bij Praamstra in Deventer. Dit in het kader van de IJsselbiennale. Vier blogs, zeven prachtige tekeningen van Lies. Verkrijgbaar bij Praamstra (E7,50) en bij Lies of mij via mail en post (E10,= inclusief verzendkosten).

Advertenties

Vormenstoof

Ik had een vergadering aan een ovalen tafel met een blad van kersenhout. We waren met velen.
De voorzitter vroeg: “Wie notuleert.”
Iedereen hield zijn mond. Ik keek naar de ijsklontjes in mijn glas water.
Maar, er was één vrouw in het gezelschap. Zij stak haar hand op, glimlachte minzaam en zei: “Ik schrijf wel”.
Zij nam haar tas op schoot, zocht daar in en haalde er een klein zwart doosje uit en een enkel blad A4-papier.
Iedereen keek naar haar. Iedereen wachtte.
“ Begin maar” zei ze. “Ik onthoud wel wat jullie zeggen. Ik ben zo weer bij.”
Dus schraapten wij onze kelen en begonnen wij enigszins hortend en stotend aan onze vergadering.
Zij klapte het doosje open. Het was van binnen bekleed met donkerrode stof, met uitsparingen er in. In die uitsparingen lagen een vulpen, een piepklein glazen flesje, een keurig gevouwen doekje en iets wat mij een pipetje leek.
De voorzitter keek haar aan en trok met zijn wenkbrauwen. Zij wuifde zijn ongerustheid met een enkel handgebaar weg. Iemand bood haar zijn ballpoint aan. Dat negeerde ze, maar ik voelde aan alles dat hij niet dommer uit de hoek had kunnen komen. Hij mengde zich gauw in de discussie die zich juist ontspon.
Iemand sloeg zo hard met zijn vuist op tafel. De ijsklontjes rammelden in de glazen.

“Zie het als een…” werd er geroepen.
“Als een wat?” zei iemand anders. “Geef me twee voorbeelden.” Hij stak twee vingers in de lucht. “Twee, nee drie.” En er sprong een derde vinger uit de vuist.
Zij wipte de pen uit haar doosje en schroefde hem met een vliegensvlugge beweging uit elkaar. Er zat geen plastic vulling in, maar een dun glazen reservoir. Leeg.
“Ter zake” zei de voorzitter.
Zij draaide de dop van het flesje.
De vergadering kwam ondertussen goed op gang. Het was eigenlijk nogal hevig. Er werd veel en hard doorelkaar gepraat. Tegenover mij werd misprijzend nee geschud. Ik zat zelf met gebalde vuisten. Iemand beet een ijsklontje doormidden.

Zij stak de punt van haar vulpen in het flesje, daarna draaide ze aan een soort zuigertje dat achter aan het reservoir zat en zoog een klein beetje inkt in het reservoir.
Ik lette even niet op haar, want we moesten stemmen, maar de stemmen staakten.
“Consensus. Waar zij we zonder consensus” riep de voorzitter. “Of anders een compromis”.
Toen ik weer naar haar keek, zoog ze met het pipetje een drupje inkt op dat zij op het tafelblad had gemorst en ze liet dat ene drupje heel beheerst weer in het flesje vallen.
Wij spraken door, wogen af, staken onze vingers in de lucht, snoven naar elkaar. Zij schroefde de dop weer op het flesje. Het was echt een piepklein flesje. Het had zo in zo’n ouderwetse letterbak gekund.

Later, veel later, wij waren al bijna aan het eind van de vergadering, was zij aan schrijven toe. Ze keek nadenkend. Ze zette de punt van haar pen op papier en schreef enkele woorden op en staarde voor zich uit.
De voorzitter begon aan de rondvraag. Riep onze namen af. We schudden van nee, dat we niets meer in te brengen hadden. Ik dronk het laatste water uit mijn glas. Aan de andere kant van de tafel werd een afspraak gemaakt. Ik voelde me verward en wazig van alle discussies en besluiten.

En zij, zij keek tevreden naar die paar woorden die ze geschreven had, zette er een streep onder, deed toen de dop weer op haar pen en poetste de pen met het kleine doekje voorzichtig op. Daarna legde zij de pen, het pipetje, het doekje, secuur gevouwen, en het flesje voorzichtig terug in het doosje, alles in de juist uitsparing. Even keek ze mij aan.
“Eigenlijk” zei ze, “hoef je maar een ding te beheersen om mee te kunnen in het leven.”
“En dat is?” vroeg ik.
“De vormenstoof” zei ze. “Gewoon de vormenstoof.”

Een dag later ontving ik haar notulen. Volledig,opvallend helder en scherp.

Mijn blogs verschijnen onregelmatig, maar als je (rechtsonder in beeld) op het knopje ‘volg’ drukt of een mailtje stuurt naar martenheijs@gmail.com krijg je elk volgend stukje gewoon in je mail.

Op vrijdag 16 juni verschijnt het boekje ‘IJsselblogs’ dat ik samen met beeldend kunstenaar Lies Kortenhorst heb gemaakt: 24 pagina’s met vier blogs van mij en zeven tekeningen van Lies en vorm gegeven door Elsbeth Volker. Verkrijgbaar bij boekhandel Praamstra in Deventer en per mail bij mij. Prijs E 7,50. De presentatie van het boekje is die vrijdag om 17.30 uur. Tegelijk opent de expositie met veel meer werk van Lies Kortenhorst.

IJsselblogs

De afgelopen maanden heb ik met veel plezier samengewerkt met Lies Kortenhorst, beeldend kunstenaar te Deventer. Lies tekent al sinds 2014 wekelijks wat haar opvalt in haar leefomgeving en publiceert die tekeningen op haar blog Next Step.

In het kader van de IJsselbiennale 2017 hebben Lies en ik samen een aantal locaties langs de IJssel uitgezocht. Lies maakte tekeningen bij die plekken. Ik schreef blogs die zich op die plaatsen afspelen. Het resulteert nu in een boekje met tekeningen van Lies Kortenhorst en vier nieuwe blogs van mij.

We wilden in dat boekje, IJsselblogs getiteld, geen traditionele verhalen met illustraties maken, of omgekeerd. We werkten daarom onafhankelijk van elkaar en gaven elk onze eigen interpretatie van de locaties. Maar, omdat we een vergelijkbare manier van kijken hebben, raken tekst en tekeningen elkaar op veel manieren. Ik ben er zelf heel blij mee.

Op vrijdag 16 juni om 17.30 uur wordt het boekje gepresenteerd bij boekhandel Praamstra aan de Keizerstraat 2 in Deventer. Bovendien is daar een expositie met veel meer Next-Step-tekeningen van Lies Kortenhorst te zien. Opening van de expositie en presentatie van het boekje is in handen van Jaap Starkenburg, directeur van de stichting IJssellandschap. De expositie duurt tot 24 september.

Het boekje, met zorg vormgegeven door Elsbeth Volker, is verkrijgbaar bij Boekhandel Praamstra. Je kunt het ook via de mail bij mij of Lies bestellen: martenheijs@gmail.com / info@lieskortenhorst.nl. De prijs: EUR, 7,50. (Exclusief verzendkosten voor mailbestellingen).

Meer over Lies Kortenhorst: www.lieskortenhorst.blogspot.nl en http://www.lieskortenhorst.nl.
Meer over de IJsselbiennale: http://www.ijsselbiennale .nl

Hout

Ik kwam haar tegen in een lijnbus door de Hoekse Waard. Zij zat tegenover mij. Ik wilde wel iets zeggen, maar ik wist niet wat. Toen sloeg zij met haar handen op haar bovenbenen. Een wolkje stof steeg op uit het katoen van haar spijkerbroek en een ogenblik later begon ik luid te niezen.
“Stof”, zei ik.
“Zaagsel”, zei zij. “Ik heb de hele dag met makoré gewerkt. Veertig jaar gedroogd, daar krijg je heel fijn zaagsel van.”
Zij werkte op een jachtwerf aan de Dordtse Kil.
“Leuk?” vroeg ik.
Zij zweeg een poosje.
“Ik bouw de interieurs”, zei ze toen. “Miljardairsjachten. Ik werk met het beste hout dat er bestaat.”
Zij somde namen van een reeks exotische bomen op. Het klonk als een gedicht, maar met een treurige ondertoon.
“Noem het” zei ze en ik heb mijn zaag er wel in gezet.” Heel veel mensen vinden het prachtig, maar ik schaam me er alleen maar voor.”

Wij wisselden adressen uit en niet veel later kwamen haar enveloppes. Ze vielen met een mooie zachte plof op de kokosmat. Als ik mijn ogen dicht doe, hoor ik het weer. In de enveloppes zaten stukjes hout en korte briefjes.

“Dit is lichtgebleekt purperhart”, schreef ze eens. “Voor het jacht van een Amerikaan. Hij wil het in de keuken. Behalve de kok is er straks geen mens meer die er nog naar kijkt.”
“Vandaag stuur ik je Braziliaans rozenhout”, schreef ze een andere keer. “Zie je hoe diep die roodgele glans wel is.  Het komt als inlegwerk in een vloertje. Ruik er toch eens aan. Straks dobbert het midden op de oceaan en loopt er een sjeik op blote voeten overheen, met een glas van het één of ander in zijn hand. Een besuikerd kersje op de rand.”

Ik belde haar op.
“Zoek dan toch iets anders”, zei ik.
“Ik zou wel willen, maar het lukt me niet.”
“Waarom niet?”
“Weet niet”, fluisterde ze. “Kan me er niet toe zetten. Zit vast. Snap niet waarom.”

Maar de brieven bleven komen, met zebrano, palissander, tulpen, wengé .
Ik zaagde er poppetjes van, priegelde er kleine versjes op, tekende er een minuscuul landschap op, een zonsopgang boven zee, een eiland met een palmboom.
“Krijgt jouw hout toch nog één nieuw leven” schreef ik.
Af en toe ging ’s avonds laat de telefoon en hoorde ik een heel zacht dankjewel.

Toen bracht de post een lapje zachtgeel vissenleer, met honderden volmaakt ronde schubben in een wervelend patroon.
“Dit spant de kroon” schreef ze. “Dit leer komt van een soort keizersvis, ergens in de Indische oceaan. Of ik er maar een paar panelen mee wilde bekleden.”

Ik wreef het leer op tot het warm werd onder mijn duim. Ik liet de zon er in weerkaatsen en kneep mijn ogen dicht. Ik probeerde de schubben te tellen maar binnen de kortste keren duizelde het mij. Ik wilde er wel iets van maken om terug te sturen, maar ik durfde geen schaar in die schubben te zetten, er geen tekening op te maken, geen letter op te schrijven. Ik legde het in een la. Zo werd het stil.

Ik wachtte op post, nieuwe post van haar. Vergeefs.
Na een poos belde ik haar, maar het telefoonnummer bestond niet meer. Een brief van mij kwam retour.
Het is niet anders, dacht ik na verloop van tijd. Ik leg me er wel bij neer. Ik vergeet het maar.
Maar heel af en toe, als ik over dure jachten lees, zaagsel ruik of als dat vissenleer komt bovendrijven in mijn la, denk ik nog aan haar en op dat soort dagen springt mijn hart op, als ik de post op de mat hoor ploffen en verbaas ik me over de hoop waarmee ik naar de brievenbus ren.

Mijn blogs verschijnen onregelmatig, maar als je (rechtsonder in beeld) op het knopje ‘volg’ drukt of een mailtje stuurt naar martenheijs@gmail.com krijg je elk volgend stukje gewoon in je mail.

Porsche

Er was ergens een bruiloft. Het feest begon bij een overbuur verderop in de straat. Daar kwamen vier dames uit het huis: hoge hakken, nylon kousen met glitters, corsages met de bloem naar beneden. Klaar om te genieten. Ze liepen kalm naar de hoek van de straat. Toen kwamen de mannen. Drie bonkige mannen in kreukloze pakken en witte overhemden. Ze hadden dikke buiken, rood geboende koppen en glinsterende ogen. De vierde was tenger. Ze liepen keurig op een rijtje en stopten precies tegenover mijn huis. Daar stond de Porsche.

Het was een heel oude Porsche. Staalblauw, met een open dak, blinkend chroom en op de voorklep lag een enorm bloemstuk met bladgroen en witte rozen. De tengere man stapte in, hij stak resoluut de sleutel in het contact en startte. Er ging een trilling door de auto. De man liet de motor loeien. Het bloemstuk trilde en uit de knalpijp kwamen blauwe wolkjes. De tengere man glunderde, stak zijn duim op als een piloot die aan een gewaagde vlucht begint en reed weg. De drie anderen keken hem na. Ze draaiden gelijktijdig hun hoofd en daarna liepen ze in de pas in hun pakken en met hun geboende koppen naar de hoek van de straat waar de vrouwen stonden te wachten.

’s Nachts kwamen ze terug. Het was half twee. Ik zat nog wat uit het raam te staren voor het slapen gaan. Eerst parkeerden er twee gewone auto’s. Daar stapten de drie mannen en vier vrouwen uit. De vrouwen liepen naar het huis aan de overkant en gingen naar binnen. Ze oogden bedrukt. Hangende schouders, beduusde blikken. De mannen stelden zich op langs de stoeprand, de vlezige handen voor de buik gevouwen. Ze wachtten zwijgend, als doodgravers. En ik wachtte mee.

Toen kwam de Porsche. Hij reed langzaam de straat in, hobbelend. De voorlamp was gebroken. Het spatbord en het portier waren gekreukt en verwrongen. Maar het bloemstuk lag nog op de motorkap. De tengere man stapte uit met een tas in zijn hand. Hij sloot het portier. Er viel een stuk glas uit de buitenspiegel op de klinkers. Uit de tas kwam een soort dekzeil en met zijn vieren trokken de mannen zwijgend het dekzeil over de auto. Daarna gingen ook zij naar binnen. Ik keek naar de auto onder het zeil en naar de bobbel op de plek waar het bloemstuk zat.

De volgende ochtend werd ik wakker van de zon in mijn kamer. Ik ontbeet. dronk koffie en poetste mijn tanden. En toen dacht ik weer aan de Porsche onder het zeil. Ik liep naar het raam, maar de straat was leeg. Geen mannen in pakken. Geen Porsche. Geen dekzeil. Alleen maar de bruinrode klinkers waartussen sprietjes gras opschoten, een propje papier, een verdwaalde kassabon, een stuk stoepkrijt van een kind uit de straat. En dat stukje glas uit de buitenspiegel. De zon weerkaatste er in.

Mijn blogs verschijnen onregelmatig, maar als je (rechtsonder in beeld) op het knopje ‘volg’ drukt of een mailtje stuurt naar martenheijs@gmail.com krijg je elk volgend stukje gewoon in je mail.

Eerste fiets

Ik wandelde door Wesepe. Vroeger schampte ik het dorp weleens met de auto, zoals zo velen. Nu is er een rondweg en ligt de Raalterweg er stil en verlaten bij. Voor de oude melkfabriek scharrelde een klein hondje. In de kolk bloeide het riet. Iemand had twee plastic tuinstoelen op de kop in het water gegooid. De poten staken wit door het kroos omhoog.

Ik kwam in de pluktuin en zat daar op een bankje. Het was laat in de zomer maar er bloeide nog veel. Wat stil is het hier, dacht ik, maar toen ik beter luisterde hoorde ik bijen zoemen, hoog boven mij mauwde een buizerd, ik hoorde de zaaddoos van een lupine springen en heel ver weg zaagde iemand met lange krachtige halen planken door.

Toen hoorde ik zachte voetstappen achter me. Een oudere vrouw wandelde door de tuin. Af en toe bleef ze staan. Zij nam een pluim lavendel tussen haar duim en wijsvinger en rook daarna even aan haar hand. Zij plukte een paar uitgebloeide bloempen uit een teunisbloem, verkruimelde een dor blad en een eindje verderop ging zij op haar knieeën bij de bloemenhaag zitten en woelde zij met haar vingers de aarde los.

Over het fietspad langs de tuin kwam een man aanrijden, één hand aan het stuur en op zijn andere hand balanceerden twee felgele gebaksdoosjes van de bakker op de Raalterweg. Hij reed voorbij en vlak daarna kwam er een jongetje aan op een fiets waaraan alles glom en blonk. Hij trapte razendsnel, slingerde bij iedere trap.
‘Jarig’, fluisterde ik bij mezelf.
En ik stelde me voor hoe de fiets die ochtend met slingers en ballonnen behangen zomaar midden in de woonkamer had gestaan.
De jongen fietste de tuin voorbij.

Misschien kwam het doordat het zagen in de verte even stopte. Of omdat die buizerd zweeg. Misschien kwam het doordat er iets heel subtiels veranderde in het licht. Of misschien voelden ze het gewoon.
De vrouw zette zich met haar vingertoppen af op de grond, kwam overeind, onverwacht soepel voor zo’n oude vrouw, en keek over de bloemenhaag. En op hetzelfde moment hield het jongetje zijn benen even stil en keek hij om in de richting van de bloementuin. Hun blikken kruisten elkaar.
‘Oma’ riep het jongetje en hij remde snel.
‘Jongen’ riep zij. ‘Ha jongen.’

En vanaf mijn bankje zag ik hoe de vrouw met kalme passen de pluktuin uitliep, naar het jongetje toe. Ze zeiden iets tegen elkaar. Ik kon niet goed horen wat, maar ze straalden allebei. Zij bekeek de fiets. En daarna legde ze haar hand in de nek van het jongetje en duwde ze hem naar huis.

Dit stukje schreef ik voor het festival WIJ-land dat begin september in Wesepe plaatsvond. Mijn blogs verschijnen onregelmatig, maar als je (rechtsonder in beeld) op het knopje ‘volg’ drukt of een mailtje stuurt naar martenheijs@gmail.com krijg je elk volgend stukje gewoon in je mail.

 

Bal

Ik doolde wat door de binnenstad en ergerde me aan alles wat mij voor de voeten kwam. De stank uit een ondergrondse afvalcontainer, zes scooters van de pizzeria, die de stoep versperden, de lege etalages in de Lange Bisschopstraat. En aan twee buikige mannen die over biljarten praatten. De een deed of hij een keu in zijn handen had, kneep één oog dicht en daarna stootte hij.
“Ik zeg denkbeeldig raak”, zei hij.
Zij schaterden en ik liep mokkend door.

Uiteindelijk kwam ik in de Duivengang, die opzij van de school en de Broederenkerk begint. De steeg strekte zich leeg voor me uit. Ik keek naar de platgetrapte kauwgom op de klinkers, naar het gekke trapje waarmee het straatwerk halverwege een stukje daalt en naar de haveloze gevelrij. Ik wilde net nog maar eens mijn hoofd schudden over zoveel morsigheid toen uit het niets een kaatsenbal aan kwam suizen. Hij was rood met gele sterren en hij kwam precies voor mijn voeten terecht. Hij stuiterde op, twee maal, en rolde toen langzaam weg, in een soort slingerloopje in de richting van de Korte Smedenstraat.

Ik holde achter de bal aan, een beetje stijfjes. Ik probeerde de bal te pakken, maar hij glipte een paar keer net onder mijn vingers weg. Ik deed nog een paar onhandige stappen, het waren meer bokkensprongen. Toen had ik hem. De bal voelde ruw in mijn vingers want het plastic was gecraqueleerd. Er stond met een zwarte viltstift een naam op geschreven die ik eerst niet lezen kon, maar onder de naam was een bloempje getekend en toen begreep ik wat er stond: Floor. En op dat moment drong ook het geluid van spelende en joelende kinderen tot mij door. Dat kwam van boven mij. Daar ligt op de platte daken boven de winkels, onzichtbaar voor wie niet beter weet, een schoolplein verborgen. Ik ben er vaak geweest. Mijn kinderen zaten daar op school.

Ik wierp de bal een paar maal op. Hij landde telkens met een zacht plofje in de palm van mijn hand. Toen gooide ik. Ik gooide zo hoog als ik kon. Ik volgde de bal in het kleine streepje blauwe lucht dat ik boven de steeg kon zien, zag hoe hij opsteeg, steeds kleiner werd, tot er alleen nog maar een piepklein puntje zichtbaar was. Daarna kwam de bal weer naar beneden suizen, recht op dat schoolplein af.

Ik spitste mijn oren. Ik rekende op gejuich, applaus en kreten van verbazing en ook op een volledige stilte en dat allemaal door de wonderbaarlijke terugkeer van die kaatsenbal. Maar er veranderde niets in het gejoel. Toen applaudisseerde ik maar even voor mezelf en daarna liep ik lachend door.

Mijn blogs verschijnen onregelmatig, maar als je (rechtsonder in beeld) op het knopje ‘volg’ drukt of een mailtje stuurt naar martenheijs@gmail.com krijg je elk volgend stukje gewoon in je mail.